Begrotingsfonds

Artikel 12 van het Rekendecreet stelt dat bij decreet specifieke ontvangsten kunnen worden toegewezen aan specifieke uitgaven. Als in de begroting ontvangsten zijn opgenomen die worden toegewezen aan specifieke uitgaven, ontstaan variabele uitgavenkredieten (VRK). De omvang van een variabel krediet wordt bepaald op basis van de in de loop van het begrotingsjaar effectief geïnde ontvangsten.

De eenjarigheid of annaliteit van de begroting heeft betrekking op het feit dat de begroting jaarlijks door het Vlaams Parlement moet worden goedgekeurd en dat de invordering van de belastingen jaarlijks moet worden herbevestigd via een bepaling in het middelendecreet.  De begroting mag in principe dus slechts uitgaven en ontvangsten omvatten die betrekking hebben op één bepaald begrotingsjaar.  Een begrotingsjaar vangt hierbij steeds aan op 1 januari en eindigt op 31 december van hetzelfde jaar. 

Het Algemeenheidsbeginsel of Universaliteitsbeginsel houdt in dat de begroting alle ontvangsten en alle uitgaven omvat zonder onderlinge compensatie.  De begroting omvat dus met andere woorden brutogegevens. Zo dienen inzake ontvangsten, de bruto-ontvangsten vermeld te worden zonder aftrek van de inningskosten die ze bezwaren, die op hun beurt als uitgaven moeten worden opgenomen. 

Ook in artikel 10 §3 van het Rekendecreet wordt verwezen naar de algemeenheid van de begroting, nl: “§ 3. De gezamenlijke ontvangsten zijn bestemd voor de gezamenlijke uitgaven.”

Er kan een onderscheid gemaakt worden tussen:

- de eigen niet-fiscale, toegewezen ontvangsten:

Abonneren op RSS - Begrotingsfonds