Vorderingensaldo en Normtoets

Horizontale tab

Vlaamse Begroting

Volgens het Verdrag van Maastricht mag het vorderingentekort van een land niet hoger zijn dan 3% van het BBP. Om vergelijkingen tussen de verschillende eurolanden mogelijk te maken, werd het Europees Stelsel van Nationale en Regionale Rekeningen (ESR) ingevoerd door Europa op basis waarvan het  ‘vorderingensaldo’ wordt berekend. 

In het geval van België wordt het resultaat van de gezamenlijke overheid gevormd door de resultaten van de federale overheid en de sociale verzekeringsinstellingen (entiteit I) en de resultaten van de gemeenschappen, gewesten en lokale overheden (entiteit II). 

Om het vorderingensaldo van de  Vlaamse begroting te berekenen, wordt het vorderingensaldo van de Vlaamse ministeries en van de instellingen met sectorale code 13.12 die deel uitmaken van de Vlaamse deelstaatoverheid, ook wel de te consolideren instellingen genoemd, berekend. 

Voor de berekening van het vorderingensaldo wordt vertrokken van het begrotingssaldo, waarbij dit laatste ontstaat door de geraamde ontvangsten (exclusief leningopbrengsten) te verminderen met de geraamde uitgaven.  Om tot het ESR-gecorrigeerd primair saldo te komen, gebeuren op het begrotingssaldo een aantal correcties, met name:

  • Vooreerst worden ontvangsten en uitgaven begroot in het kader van kredietverleningen en deelnemingen (ESR-code 8) geneutraliseerd.  Hetzelfde gebeurt met uitgaven om indirecte schuld af te lossen (ESR-code 9).
  • Het berekenen van het vorderingensaldo op geconsolideerde basis impliceert dat de financiële stromen van en naar de te consolideren Vlaamse instellingen moeten geneutraliseerd worden.  Vandaar dat zowel aan uitgaven- als aan ontvangstenzijde respectievelijk de toelagen aan, als de toelagen van de te consolideren instellingen worden geneutraliseerd. 
  • Aan uitgavenzijde wordt er tevens een correctie gemaakt voor de rente-uitgaven.
  • Voor de te consolideren instellingen worden langs ontvangstenzijde ook het overgedragen saldo van een vorig begrotingsjaar en de opnemingen uit het reservefonds niet meegerekend.  Langs uitgavenzijde worden dan weer het naar een volgend begrotingsjaar over te dragen saldo en de toewijzingen aan het reservefonds niet meegerekend.

Het ESR-gecorrigeerd primair saldo wordt vervolgens nog gecorrigeerd met een onderbenuttingsfactor die gebaseerd is op de geobserveerde onderbenutting van het vorige begrotingsjaar.  Het resultaat wordt het gecorrigeerd primair saldo genoemd.  Hierop dient tot slot nog een correctie voor de geconsolideerde rente-uitgaven gemaakt te worden om tot het gecorrigeerd vorderingensaldo te komen.  Het is dit resultaat dat getoetst wordt aan het vooropgestelde normtraject voor het onder controle houden van het begrotingstekort op nationaal niveau (de hoger vermelde 3%-norm).

Diensten Afz. Beheer

Volgens het Verdrag van Maastricht mag het vorderingentekort van een land niet hoger zijn dan 3% van het BBP. Om vergelijkingen tussen de verschillende eurolanden mogelijk te maken, werd het Europees Stelsel van Nationale en Regionale Rekeningen (ESR) ingevoerd door Europa op basis waarvan het  ‘vorderingensaldo’ wordt berekend. 

In het geval van België wordt het resultaat van de gezamenlijke overheid gevormd door de resultaten van de federale overheid en de sociale verzekeringsinstellingen (entiteit I) en de resultaten van de gemeenschappen, gewesten en lokale overheden (entiteit II). 

Om het vorderingensaldo van de  Vlaamse begroting te berekenen, wordt het vorderingensaldo van de Vlaamse ministeries en van de instellingen met sectorale code 13.12 die deel uitmaken van de Vlaamse deelstaatoverheid, ook wel de te consolideren instellingen genoemd, berekend. 

Voor de berekening van het vorderingensaldo wordt vertrokken van het begrotingssaldo, waarbij dit laatste ontstaat door de geraamde ontvangsten (exclusief leningopbrengsten) te verminderen met de geraamde uitgaven.  Om tot het ESR-gecorrigeerd primair saldo te komen, gebeuren op het begrotingssaldo een aantal correcties, met name:

  • Vooreerst worden ontvangsten en uitgaven begroot in het kader van kredietverleningen en deelnemingen (ESR-code 8) geneutraliseerd.  Hetzelfde gebeurt met uitgaven om indirecte schuld af te lossen (ESR-code 9).
  • Het berekenen van het vorderingensaldo op geconsolideerde basis impliceert dat de financiële stromen van en naar de te consolideren Vlaamse instellingen moeten geneutraliseerd worden.  Vandaar dat zowel aan uitgaven- als aan ontvangstenzijde respectievelijk de toelagen aan, als de toelagen van de te consolideren instellingen worden geneutraliseerd. 
  • Aan uitgavenzijde wordt er tevens een correctie gemaakt voor de rente-uitgaven.
  • Voor de te consolideren instellingen worden langs ontvangstenzijde ook het overgedragen saldo van een vorig begrotingsjaar en de opnemingen uit het reservefonds niet meegerekend.  Langs uitgavenzijde worden dan weer het naar een volgend begrotingsjaar over te dragen saldo en de toewijzingen aan het reservefonds niet meegerekend.

Het ESR-gecorrigeerd primair saldo wordt vervolgens nog gecorrigeerd met een onderbenuttingsfactor die gebaseerd is op de geobserveerde onderbenutting van het vorige begrotingsjaar.  Het resultaat wordt het gecorrigeerd primair saldo genoemd.  Hierop dient tot slot nog een correctie voor de geconsolideerde rente-uitgaven gemaakt te worden om tot het gecorrigeerd vorderingensaldo te komen.  Het is dit resultaat dat getoetst wordt aan het vooropgestelde normtraject voor het onder controle houden van het begrotingstekort op nationaal niveau (de hoger vermelde 3%-norm).

Tags: